Het namiddagzonlicht valt op de kleurrijk beschilderde houten gebouwen met gekrulde dakranden en met rijstpapier bekleedde deuren als ik aankom bij de tempel. Bezoekers uit de stad lopen er samen met de monniken rond op de binnenplaats. Het zijn mannen met kaalgeschoren hoofden, gekleed in grijze gewaden en lopend op slippers.
Wannabe monnik
Bij registratie aan de balie krijg ik een uniform dat ik moet dragen, een dagplanning waar het woord meditatie een aantal keren op staat en een boek met Boeddhistische teksten - geheel in het Koreaans. In een wijde katoenen broek en overgroot blauwe T-shirt verken ik als wannabe monnik het terrein. Centraal is de binnenplaats waar twee bijzondere Chinese tempelbomen naast een grote stenen bak water staan. Alle tempelgebouwen zijn er van hout, geschilderd in wijnrood en mintgroen en met deuren met honingraat patroon. De draagbalken waarop de krullende dakrand rust, zijn versierd fijne schilderingen.
Om stipt zes uur lopen de monniken met een bord langs het buffet, ze hebben respect voor alles wat leeft en zijn daarom strikt vegetarisch. Een enorme dampende rijstkoker, een pan soep en bakken met verse taugé, Chinese paddestoelen, reepjes courgette, spinaziebladeren én kimchi. Kimchi is de trots van het land. Het zijn gefermenteerde pepers en kool. Al zittend op een laminaatvloer, aan lage tafels onder de inbouwspots, is er niets te horen dan getik van metalen eetstokjes en geslurp van de witte koolsoep. Nee, het eten in de tempel is hier niets meer dan een praktische bezigheid.
Gedrum en getik
Na het eten donderen er plots aardse tonen door het dal. Een monnik bespeelt een enorme beschilderde trom die op de binnenplaats hangt. In uiterste concentratie drumt hij er minuten lang op los, totdat een andere monnik een hangende boomstam tegen de metalen klok laat botsen. (…)