Door: Daan Vermeer
Aantal woorden: 2050
Slapen in een nomadentent terwijl het buiten 38 graden vriest. Dat doen de Mongoliërs al eeuwen. Met een houtoven en sloten hete boterthee is het goed te doen.
“Nokhoi khor!” roep ik terwijl ik met mijn dikke handschoenen op een vrolijk oranje en blauw geschilderde voordeur klop. Letterlijk betekent het ‘houdt de waakhond binnen’, want sloten kennen ze niet op de Mongoolse steppes. Een kleine vrouw, in een donkerpaarse jurk en met een touw om haar middel als riem, zwiept de kleine deur open. “Snel, snel”, mompelt ze, terwijl ze me de ronde tent in trekt.
Deze ger, een witte Mongoolse vilttent, is pakweg vier meter in doorsnee en je kunt er net rechtop in staan. De wanden zijn goed geïsoleerd met schapenwol, en scheerlijnen of haringen komen er niet aan te pas. En toch staan de tent als een huis, zelfs bij de felste sneeuwstormen die hier op deze steppe net ten zuiden van Siberië razen.
Buiten is het min vijfentwintig, binnen bij plus vijftien graden is het daarom heel behaaglijk. Hutjemutje zit het hele gezin stilletjes rondom een knetterende houtoven die middenin in de ietwat muffige tent staat. Erachter zit opa weggedoken, een man met ingevallen wangen, een rimpelige, egaal bruine huid, in eenzelfde soort jurk als mevrouw, maar dan bruin. De vrouw gaat pal naast de stoof zitten op een veel te klein krukje. Ze heeft rond gezicht met rode wangetjes en mompelt wat tegen haar man die tegenover haar zit. Hij heeft eenzelfde rond gezicht, dat ergens halverwege Chinees en Europees zit, met grote ogen. Opvallend zijn zijn reuzenhanden en grote leren laarzen die onder zijn pantalon uitsteken. Zijn zoon van begin twintig, naast hem, is stukken minder traditioneel gekleed. Hij draagt een versleten, stoffen broek, wat truien over elkaar heen en heeft een sigaret in zijn mond.
Mongoolse boterthee
En dan sta ik ineens in de tent, een wildvreemde die geen woord Mongools praat. We lachen wat naar elkaar, maar al snel pakt de vrouw een zwart geblakerde, gedeukte fluitketel van het vuur. Ze schenkt wat mokken vol en deelt ze uit. (…)